Samenvatting

Titel van het project: DETOUR - Towards Pre-trial Detention as Ultima Ratio

Projectperiode: 1 januari 2016 – 31 december 2017

Gefinancierd door: het Justice Programme van de Europese Commissie, ondersteund door het Oostenrijkse Ministerie van Justitie

In veel Europese landen is een groot aantal personen opgesloten in voorlopige hechtenis. In eerste instantie dient de voorlopige hechtenis procedurele doeleinden: het voorkomen dat de persoon zich uit de voeten maakt of knoeit met bewijsmateriaal. Het in (voorlopige) hechtenis nemen van de betrokken persoon wordt vrij vaak gebruikt als de makkelijkste manier om deze doelen te bereiken. Dit botst met het principe dat, uitgaand van het fundamentele recht op vrijheid en het vermoeden van onschuld, vrijheidsberoving enkel toegepast moet worden indien minder strenge maatregelen niet volstaan om controle uit te oefenen over de verdachte of zijn/haar aanwezigheid bij het proces te waarborgen (voorlopige hechtenis als ultima ratio). Over het algemeen dient het subsidiariteitsbeginsel op dergelijke wijze toegepast te worden zodanig dat verdachten of beschuldigden hun proces kunnen afwachten in volledige vrijheid, of, mits gerechtvaardigd, onder specifiek omschreven vrijheidsbeperkingen. Voorlopig gehechten zijn in de gevangenis vaak onderworpen aan slechtere detentieomstandigheden dan definitief veroordeelden. Het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) van de Raad van Europa noemt dit een pan-Europees probleem. Een ander gemeenschappelijk probleem vormt de vaak geobserveerde excessieve duur van voorlopige hechtenis. Eveneens moet worden opgemerkt dat in veel Europese landen een groot aandeel vreemdelingen zich in voorlopige hechtenis bevindt. Het Kaderbesluit 2009/829 met betrekking tot de ‘Europese toezichtsmaatregel’ (‘European supervision order', ESO) kan in dit opzicht een nuttig instrument zijn, maar het gebruik daarvan is nog niet een bestaande praktijk.

Het gebruik van alternatieven voor de voorlopige hechtenis is hoe dan ook voor zowel verdachten als praktijkwerkers problematisch. In de landen die aan het project deelnemen, varieert de beschikbaarheid van alternatieven voor de voorlopige hechtenis en het gebruik ervan aanzienlijk. Dergelijke alternatieven kunnen minder ingrijpend zijn, zoals vrijstelling mits naleving van een aantal voorwaarden, bijvoorbeeld de verplichting om zich regelmatig bij de autoriteiten te melden. Niettemin kunnen ze ook de vorm aannemen van een avondklok of uitgaansverbod, elektronisch toezicht, andere vormen van (politie)toezicht, of behandeling voor verslavingsproblematiek. Een fundamenteel probleem dat de toepassing van alternatieven voor de voorlopige hechtenis met zich kan meebrengen, is het risico op net-widening (de toepassing van alternatieven in gevallen van zaken waarvoor anders geen voorlopige hechtenis zou zijn bevolen). Ook kan er sprake zijn van een “verborgen agenda” met bijvoorbeeld punitieve doeleinden, die verder kunnen reiken dan de legitieme doelen van de vrijheidsbeneming of -beperking. Een ander probleem betreft de mogelijke uitsluiting van vreemdelingen of daklozen van de toepassing van dergelijke alternatieven.

Dit project heeft ten doel de praktijk van de voorlopige hechtenis te verkennen en te analyseren, meer in het bijzonder de verschillende wijzen die in zeven Europese jurisdicties worden gehanteerd om het gebruik van de voorlopige hechtenis terug te dringen (Oostenrijk, Duitsland, Roemenië, België, Litouwen, Ierland en Nederland). Aan de ene kant is de focus gericht op de mensenrechtensituatie van verdachten die, in beginsel, zouden moeten genieten van het vermoeden van onschuld. Aan de andere kant komen de opinies en noden aan bod van de rechterlijke macht die ook afhankelijk is van beschikbare alternatieven, en eveneens met andere problemen en obstakels wordt geconfronteerd wanneer het er om gaat voorlopige hechtenis te vermijden. In toenemende mate, en dit zal een ander aandachtspunt zijn, dienen grensoverschrijdende zaken binnen de Europese Unie opgelost te worden, bijvoorbeeld via het gebruik van de ‘Europese toezichtsmaatregel’. Dit project heeft als doel wederzijdse kennis omtrent en, in zoverre gerechtvaardigd, vertrouwen in andere jurisdicties binnen de EU te vergroten. Centraal binnen alle projectactiviteiten, doch niet hiertoe beperkt, staan rechters en openbare aanklagers, aangezien zij de actoren zijn die beslissingen nemen op basis van de wet, maar daarbij ook afhankelijk zijn van en beïnvloed worden door bepaalde omstandigheden. Dit project draait erom van elkaar te leren en een bijdrage te leveren aan het (verder) toepassen van alternatieven om voorlopige hechtenis te voorkomen.